Relaties

- 13 - Werkbladen

De getoonde bedragen moeten worden herkend. Er is ook een oefening met betrekking tot >, < of =.

Werkblad past bij de volgende producten

De leerlingen leren de getallenwaarde in het getallengebied 100 kennen.. Zij moeten de tientallen en eenheden ordenen en met behulp van het symbool (=,<,>) vergelijken. Bovendien moeten eenvoudige tekstopgaven worden opgelost.

De leerlingen moeten de grootte van motieven met elkaar vergelijken. Ze leren daarbij onderscheid te maken tussen groter en kleiner.

Zoek uit, welk getal groter is en vul het juiste teken in.

Op dit werkblad meoten de kinderen uitkomsten vergelijken en beslissen of ze groter of kleiner zijn.

Hier leren de leerlingen lengtes c.q. maten te vergelijken en te onderscheiden. Daarvoor wordt het spraakpatroon "groter dan" en "kleiner dan" gebruikt. Om dit optisch te versterken, kunnen er lijnen bij worden getekend.

De kinderen moeten verschillende plus- en minopgaven oplossen.

Vergelijk de hoeveelheden geld in de spaarpotten en bepaal dan wie het meest gespaard heeft.

De leerlingen leren verschillende groottes, zoals geldbedragen te vergelijken. Ze gebruiken de juiste symbolen (=,<,>). Zo leren ze zich in het getallengebied 100 te orienteren.

De leerlingen ontwikkelen een eerste inzicht van maten en vergelijken deze met elkaar. Ze leren het relatie symbool groter dan (>) en kleiner dan (<) kennen en kunnen deze correct toepassen.

Vergelijk de sommen en aantallen met elkaar. Vul het teken gelijk aan, ongelijk aan, kleiner dan of groter dan in.

Hier wordt de vermenigvuldiging van de tafel van 4 geleerd. Door te spelen met beelden, leren ze de eerste delingen. Ze moeten rekentermen met elkaar vergelijken en daarbij de relatie symbolen (=, <, >) correct toewijzen.

Werkblad past bij de volgende producten

← Stap terug
Footer